De gebeurtenis of situatie (A) is:
'Ik zit te wachten op mijn vriend. Hij is te laat'.

De reactie (C) is:
'Ik had er de pest in'.

Het praten met jezelf over A (B) is:
B1: 'Hij laat me zitten, hij zal me verlaten'.
B2: 'Zo heeft het geen zin om verder te gaan'.
B3: 'Ik ben ook niets waard zo'.
B4: 'Ik kan er net zo goed mee ophouden'.

Nu gaan we B1 uitdagen op zijn redelijkheid.

B1: 'Ik kan ook niets', uitdaging:
'Kan ik niets?'

Vraag 1. Berust dit idee op feiten die de werkelijkheid zo dicht mogelijk benaderen, is de vraag realistisch?
Antwoord: Nee, dit idee is een veronderstelling; er zijn geen objectieve feiten die een bevestigend antwoord rechtvaardigen. Als het zo is dat mijn vriend zijn afspraak niet nakomt, dan zou mijn eerste idee uiteindelijk wel op feiten gebaseerd zijn. Maar ook dan kan ik de vraag of hij me zal verlaten niet met zekerheid met ja beantwoorden. Vanuit de situatie zoals die nu is, kan ik immers niet met absolute zekerheid iets zeggen over hoe het in de toekomst zal gaan.

Vraag 2. Kan ik met dit idee mijn doel bereiken?
Antwoord: Nee, mijn doel is dat ik me rustiger voel en door kan gaan met mijn bezigheden. Door mezelf voor te houden dat mijn relatie stuk loopt, bereik ik allen maar dat ik in de stress raak en misschien zelf de boel verpest.

Vraag 3. Vermijd ik met dit idee ernstige emotionele conflicten?
Antwoord: Nee. Ik zal er gespannen, boos of neerslachtig door worden.

Vraag 4. Helpt dit idee mij ernstige conflicten met anderen te vermijden?
Antwoord: Nee. Mijn emotionele toestand zou juist kunnen leiden tot conflicten.

Zoals blijkt is B1 verre van een redelijk idee. Probeer het nu ook voor B2, B3 en B4.



 © 2002, Health-Psychology